Wegwijs in energie
‘Er zit toekomst in groen gas’
Groen gas wordt gemaakt van biologische reststoffen. De technologie is er om zulk afval te vergisten, het gas dat hierbij ontstaat af te vangen en dat weer om te zetten naar een product op aardgaskwaliteit. Maar er is nog weinig praktische ervaring met de productie en levering van groen gas. Stedin ondersteunt de pioniers op dit gebied met kennis, technologie én de nodige flexibiliteit om invoeding op het aardgasnet mogelijk te maken.
Groen gas. Het lijkt het Ei van Columbus. Je maakt het uit reststoffen als vis- of slachtafval, etensresten, rioolslib of mest – afvalstromen waar we als maatschappij niet altijd raad mee weten. Alleen al met het vergisten van ons rioolslib zouden we in 1 procent van onze aardgasbehoefte kunnen voorzien. Albert van der Molen, senior specialist Asset Management bij Stedin, is gegrepen door het groen-gas-virus. 'En ik ben niet de enige', vertelt hij. 'De verwachtingen ten aanzien van groen gas zijn behoorlijk hoog gespannen. Zo houdt Gasunie er rekening mee dat in het jaar 2020 zo'n twee miljard kuub groen gas in de netten gevoed zal worden. Of het zo'n vaart zal lopen, weet ik niet, de schattingen lopen nog uiteen. Maar het is duidelijk dat groen gas een mooie toekomst heeft. Het is een werkend, duurzaam alternatief voor een fossiele energiebron die aan het opdrogen is. En als netbeheerder doen we er alles aan om die toekomstbelofte te helpen realiseren.'
Vergistingsproces
Groen gas wordt haast per definitie decentraal geproduceerd. Op boerderijen, in de buurt van levensmiddelenindustrieën of bij rioolreinigingsinstallaties, bijvoorbeeld. In een groot, gesloten vat wordt biologisch afval vermengd met bacteriën die een vergistingsproces op gang brengen. Bij die vergisting ontstaat wat wel genoemd wordt ruw biogas: voornamelijk methaan en koolstofdioxide. Dit gas is op zichzelf al prima geschikt om als brandstof te dienen. Een aantal groen gas-producenten gebruikt het zonder verdere bewerking om er met behulp van een generator elektriciteit van te maken. Maar meer en meer wordt op grotere schaal geproduceerd en dan wordt het interessant het gas op aardgaskwaliteit te brengen en in te voeden op het net. Dáár komt Stedin als beheerder van de regionale gasnetten in het spel. De teller staat op dit moment op drie echte invoeders in het Stedin- verzorgingsgebied (zie kader 'Facts & Figures'), maar dat aantal zal de komende jaren snel toenemen. Via energieleverancier Greenchoice is het sinds najaar 2010 mogelijk een leveringscontract af te sluiten voor groen gas. Een primeur, waarmee de leverancier nog maar een beperkt aantal klanten kan bedienen.
Erfenis van Slochteren
'Wat het invoeden betreft zitten we in Nederland allereerst met "de erfenis van Slochteren"', zegt Albert. 'Wie hier groen gas wil invoeden, moet er voor zorgen dat dit gas de eigenschappen heeft van het aardgas dat we gewend zijn uit de grond te halen. Anders zou je wellicht de hele infrastructuur en de gasapparaten die we in huis of in de industrie gebruiken moeten aanpassen. En daar zit niemand op te wachten. In landen die geen aardgascultuur hebben, zoals de Verenigde Staten, kunnen ze helemaal zonder historische last beginnen met groen gas. Daar worden nieuwe netten aangelegd en installaties gebouwd die werken op zuiver methaan. Maar zo is het hier niet. En dus moeten leveranciers van groen gas het eerst bewerken.'
Poortwachter
Eén van de eerste 'issues' voor producent én netbeheerder is dus het bewaken van de kwaliteit van het in te voeden groene gas. Dat moet bij voorkeur gecontroleerd worden aan de "ingang" van het gasnet. Albert: 'Daar komt bij dat de producent van groen gas ook graag betaald wil worden voor hetgeen hij levert. Dus moet ook de hoeveelheid gas gemeten worden die hij invoedt. De oplossing hiervoor hebben wij als Stedin gevonden in een samenwerkingsverband met de firma Biogast. Biogast heeft het concept ontwikkeld en wij hebben als netbeheerder op grond van onze ervaring onze kennis geleverd. Dit is vertaald naar een technische oplossing die er zijn mag: de Bio2Net. Het is een compacte installatie geworden, die - als een poortwachter - zowel de gaskwaliteit controleert als de kwantiteit meet. Gas dat niet aan de specificaties voldoet, wordt door de Bio2Net geweigerd. Gas dat wel voldoet wordt doorgelaten en de producent kan met de meetgegevens een juiste afrekening sturen. Het klinkt zo misschien relatief simpel, maar Bio2Net is echt een slimme oplossing voor een serieus probleem. Er bestaat dan ook veel belangstelling voor, tot in het verre buitenland.'
Slimmer gasnet
Met een poortwachter als Bio2Net zijn we er als netbeheerder nog lang niet, weet Albert. 'We beschouwen het invoeden van groen gas intern nog teveel als een "speciaaltje". De werkelijke uitdagingen die we op de niet al te lange termijn op ons af krijgen, kunnen we met die houding niet te lijf. Groen gas gaat impact hebben op onze hele operatie, van facturatie tot en met techniek. Zo gaat er onvermijdelijk veel veranderen in onze operationele netcoördinatie. Ik noem maar een voorbeeld: we zijn nu gewend dat het gas altijd van links naar rechts stroomt. Dat kan straks links òf rechts zijn. Of neem werkzaamheden die je wilt laten verrichten. Je kunt dan een deel van de leiding afsluiten, maar dan moet je ook zeker weten dat er niet nog een invoeder op vol vermogen gas in de leiding aan het persen is. Het gasnet is ook nog eens een stuk minder flexibel dan het elektriciteitsnet. Het is een éénrichtingsnet. Van hoge- naar lage druk reduceren gaat gemakkelijk, maar omkeren kun je dat proces nu niet. En zoiets zou je misschien wel willen, als zich méér grotere invoeders aanbieden. We zullen wat dat betreft hoe dan ook naar een slimmer gasnet toe moeten.'
Ondernemers zien de kans
Wim van Erp is hét aanspreekpunt bij Stedin voor partijen die groen gas willen invoeden in ons verzorgingsgebied. 'De belangstelling voor het opzetten van groen gasprojecten is er zeker', vertelt Wim. 'Zo kwam laatst een groepje van acht boeren met samen 1200 koeien uit Wijk bij Duurstede met een projectvoorstel naar ons toe. Jonge, ondernemende gasten, die een opvallend, onwankelbaar geloof hebben in duurzaamheid als zakelijke kans. We helpen zo'n project zoveel mogelijk op gang. Daarbij maak ik intensief gebruik van mijn 30 jaar ervaring in het gas en de vele contacten die ik intern en extern heb. Ook binnen Stedin is nog missiewerk te verrichten. Ik sluit me wat dit betreft aan bij Albert: Groen gas wordt hier en daar nog te gemakkelijk weggezet als een "speeltje" van Innovatie.'
'Kan niet' is geen antwoord
Veel groen gas-initiatieven halen het op dit moment om allerlei redenen uiteindelijk niet. Wim: 'Banken zijn op dit moment terughoudend met kredietverstrekking en het is voor ondernemers toch een behoorlijk ingewikkeld traject van idee naar het daadwerkelijk invoeden van groen gas. Ik denk dat het belangrijk is voor ons imago én onze toekomst dat dit in elk geval niet aan Stedin mag liggen. "Kan niet" is eigenlijk geen antwoord. We zullen de barrières stap voor stap opruimen. Een – betaalbaar – product als de Bio2Net is daar natuurlijk al een prachtig voorbeeld van. Ik ben er van overtuigd: wat nu allemaal heel ingewikkeld lijkt, hebben we zo onder de knie als we volume kunnen maken en een stuk of tien, twintig invoeders van groen gas op ons net hebben aangesloten.'
E.on Benelux, Maasvlakte: ‘zorgvuldig en vakbekwaam’
Energiebedrijf E.on is eigenaar van de elektriciteitscentrale die begin jaren '70 door GEB Rotterdam op de Maasvlakte is gebouwd. E.on bouwt op een naastgelegen terrein volop aan een splinternieuwe centrale, maar ziet zeker ook toekomst in de oude. Een uitgebreid investeringsprogramma zorgt ervoor dat de bestaande centrale weer tientallen jaren meekan. De middenspanningsruimte – het oudste gebouw op het terrein – wordt momenteel door Joulz onder handen genomen.
Het oerontwerp van de Maasvlakte Centrale is gemaakt door het Bouwbureau Centrales van GEB Rotterdam. De centrale beschikt over twee turbines, met steenkool als brandstof. Dat kan tot 30 procent bijgemengd worden met biologische brandstof (denk bijvoorbeeld aan houtafval). De turbines leveren op vol vermogen samen ruim 1000 megawatt aan elektriciteit. In de bijna 40 jaar van zijn bestaan is praktisch alles aan de centrale verbouwd. Zo vallen ketel- en turbinehuizen tegenwoordig bijna in het niet bij de installaties die zijn aangebracht om de centrale zo schoon mogelijk te maken.
De elektrische installaties die nu vervangen worden, voeden installatieonderdelen die noodzakelijk zijn om de twee elektriciteitsproductie-eenheden draaiend te houden. Het belangrijkste zijn de kolentransportbanden, want zonder aanvoer van kolen kunnen deze eenheden niet draaien.
Vakmanschap
Voor de verjonging van de middenspanningsvoeding worden de transformatoren gerenoveerd door de fabrikant. De middenspanningsschakelaars van de firma COQ dateerden nog van de geboorte van de centrale. Herman Mooij, die namens E.on het project coördineert: 'Die worden nu volledig vervangen door installaties van de firma Ritter. Ritter zet ze op z'n plaats. We hebben Joulz gevraagd de aansluitwerkzaamheden uit te voeren.' De keuze voor Joulz heeft veel te maken met vertrouwen in het vakmanschap. Dat is ontstaan tijdens eerdere, minder omvangrijke- en bedrijfskritische projecten. 'Net als de centrale zelf', zegt Herman, 'zijn de middenspanningsinstallaties uit twee gelijke delen (redundant) opgebouwd. Daardoor kan tijdens de werkzaamheden pakweg 80 procent van de kabels waar omheen gewerkt wordt onder spanning blijven en kan de centrale volledig in bedrijf blijven. Dat vraagt natuurlijk wel om uiterste voorzichtigheid, zorgvuldigheid en vakbekwaamheid van de mensen die hier aan het werk zijn. Met name in de kelder onder de schakelaars ligt een wirwar van kwetsbare inkomende- en uitgaande bekabeling. Als je daar steken laat vallen, heb je een groot probleem.'
E-on Engineering, E.on Maasvlakte en Joulz hebben uitstekende afspraken gemaakt, waardoor de werkzaamheden volgens planning verlopen. In tweede deel van de uitvoering kon tijd worden ingehaald, omdat de ervaringen na de vervanging van het eerste deel benut werden.
Betrouwbaar alternatief
Het werk in het oude gebouw waarin de nieuwe installaties worden opgesteld, vraagt in technisch opzicht om de nodige flexibiliteit. Herman: 'De inkomende kabels zijn van een oud type. Ze zijn te dik om in de moderne Ritter-installaties te passen. Er moesten dus moffen gemaakt worden, die de oude kabels verbinden met moderne kabels die wél passen. Eigenlijk hanteren we hier het principe dat we géén moffen willen hebben die niet onder grond liggen, vanwege de storingsgevoeligheid. Maar Joulz heeft ons voorgerekend dat de grond bij de middenspanningsruimte tjokvol met kabels en leidingen ligt. Daardoor zou het risico van ondergrondse moffen misschien wel groter zijn dan van moffen in de kelder. Er is vervolgens een technisch betrouwbaar alternatief aangeboden. Dat stellen we natuurlijk op prijs.'
Snel en adequaat ingrijpen
Het werk aan de middenspanningsinstallaties verloopt voorspoedig. De eerste reeks Ritter-installaties staat al onder spanning. Alle COQ schakelaars zijn inmiddels verwijderd en de bouwkundige voorbereidingen voor de plaatsing van de laatste reeks nieuwe schakelaars zijn getroffen. 'We lopen zelfs voor op de planning', zegt Herman. 'En in de tussentijd hebben de mensen van Joulz ons ook nog even snel uit de brand geholpen, nadat een shovel de voeding van een belangrijke kolentransportband door midden heeft geschept. Door snel en adequaat ingrijpen is zo voorkomen dat de elektriciteitsproductie in gevaar kwam.'
Nieuwe grondroerdersregeling: strenger én slimmer
Er komt een eind aan de tijd dat we op de put moeten staan met bergen tekeningen om te weten waar netbeheerders hun kabels en leidingen hebben liggen. Sinds oktober is de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION) van kracht. Doel is het aantal graafschades verder te beperken door strenger toezicht
en slimmere informatie-uitwisseling tussen netbeheerders en grondroerders.
Er zijn in Nederland circa 1100 netbeheerders. Samen beheren die 1,75 miljoen kilometer kabels en leidingen (45 keer de aarde rond). Er worden gemiddeld per dag 10.000 grondroeringen gedaan door zo'n 5000 aannemers. Daarbij ontstaan circa 200 graafschades, opgeteld zo'n 40.000 graafincidenten per jaar). De directe kosten worden geschat op 40 tot 75 miljoen euro. De overlast en economische schade is dus groot én de veiligheid voor mens en milieu zijn in het geding. De oude, vertrouwde Klic-melding bleek te vrijblijvend, waardoor de zaak nu bij wet geregeld is.
Aannemers die machinaal de grond willen roeren (grondroerders), zijn voortaan verplicht zich aan te melden bij Klic On Line (KOL) van het Kadaster (voorheen Klic).
Er zijn nu drie mogelijkheden voor een melding:
- Graafmelding (de vroegere klicmelding)
- Oriëntatiemelding (bij de werkvoorbereiding)
- Calamiteitenmelding (bij storingen)
De graafmelding is een verplichting, als je - op welke manier dan ook - de grond machinaal gaat roeren, bijvoorbeeld door graven met een machine. Bij handmatig graven geldt deze verplichting niet!
Een mooie bijkomstigheid is dat Klic On Line het leven stukken gemakkelijk gaat maken. De stapels tekeningen en kaarten die je nu nog krijgt na een Klic-melding, worden vervangen door één digitale tekening. Daarop zie je in lagen én geüniformeerd de ligging van alle kabels en leidingen van alle netbeheerders. Eind 2009 moeten de netbeheerders hun gegevens aangepast hebben, zodat ze op deze manier verwerkt kunnen worden.
Wat moeten we nog meer weten:
- Het is aan te raden bij het voorbereiden van projecten een zogenaamde oriëntatiemelding te doen.
- De gegevens van de graaf(klic)melding moeten op het werk aanwezig zijn.
- Het Agentschap Telecom houdt toezicht en kan bij verzuim van een graafmelding een boete uitschrijven.
- Leidingen die meer dan 1 meter verkeerd liggen moeten gemeld worden. Tot eind 2009 bij de betreffende netbeheerder, daarna bij het kadaster via Klic On Line (KOL).
- Als voor het oplossen van een storing de grond mechanisch geroerd moet worden, moet een calamiteitenmelding gedaan worden.
Veel praktische informatie over de WION is te vinden op Mavim en op de site van het Kadaster.
<kader>
Wat verandert er voor Joulz?
Netten en aansluitingen/Projecten:
- Oriëntatiemelding KOL bij werkvoorbereiding (gewenst, niet verplicht).
- Checken bij de onderaannemer of de graafmelding is gedaan en de gegevens op de werkplek aanwezig zijn.
- Tijdig aanleveren van revisies (binnen 30 werkdagen na dichtmaken van de sleuf).
Tekenkamers:
- Tijdig verwerken van de revisies (binnen 30 werkdagen na dichtmaken van de sleuf).
- Corrigeren van kabels en leidingen met een 'onjuiste ligging'.
Storing en onderhoud:
- Bij mechanisch de grond roeren: graafmelding doen.
- Bij storing waarbij mechanische grondroering nodig is: calamiteitenmelding doen.
- Onjuiste ligging of onbekende netten melden bij het Kadaster.
CO2 uit afval wordt voeding voor glastuinders
Slim Joulz-plan Eneco-breed opgepikt
Joulz Business Development heeft een slim en ambitieus plan ontwikkeld voor het afvangen, transporteren en nuttig gebruiken van CO2. Dit plan is binnen heel Eneco enthousiast ontvangen. Wie er nog meer blij van worden? Een afvalverbrander, een grote groep glastuinbouwers en verder iedereen die zich zorgen maakt over de opwarming van de aarde.
Het plan begint eigenlijk bij een probleem van de glastuinders, in het hypermoderne glastuinbouwgebied Agriport A7 in het Noord-Hollandse Wieringermeer. Agriport heeft een eigen energiebedrijfje, dat zoekt naar zo duurzaam mogelijke oplossingen. Het idee is daarom om de kassen bij te verwarmen met aardwarmte (geothermie). Dat betekent echter dat de WKK's waarmee warmte en elektriciteit worden opgewekt minder hoeven te draaien. Maar tuinders hebben de CO2 die WKK's uitstoten juist nodig voor hun productie. Planten met veel bladgroen groeien er beter van. Dat betekent dat er extra CO2 van elders moet komen. Joulz-segmentmanager Glastuinbouw Rien Braun: "Hier is al ervaring mee: Shell vangt CO2 af uit een katalytisch proces bij zijn raffinaderijen in Rotterdam en Ocap levert het via een pijpleiding aan tuinders in het Westland en Oostland. En dat alles tegen een betaalbare prijs."
Bij Alkmaar vond Joulz een perfecte bron voor de levering van CO2 voor Agriport A7: een verbrandingscentrale voor afval van HVC. Die centrale maakt van afval 'groene' elektriciteit, maar in de rookgassen zit natuurlijk wel veel CO2. HVC heeft als inzet om de energie uit zijn centrales zo schoon mogelijk te maken. Dus daar is grote interesse in het plan. Rien: "Om de CO2 uit de centrale af te vangen hebben we samenwerking gezocht met onderzoeksinstituut TNO. TNO test in Rotterdam bij de E.on centrale een proefopstelling om efficiënt CO2 af te vangen. Als we er in slagen deze technologie tegen aanvaardbare kosten toe te passen in Alkmaar, dan hebben onze collega's van Eneco New Energy grote belangstelling om deze installatie te exploiteren. Agro Energy heeft interesse om de commodity CO2 te verhandelen. Vervolgens moet er een pijpleiding gelegd worden over ruim 30 kilometer van Alkmaar naar Agriport A7. Voor het beheer van dit CO2-transportnet hebben onze collega's van Stedin weer grote belangstelling." Het plan is vernieuwend én heeft brede interesse gewekt binnen Eneco. Daarom heeft de innovatieboard van de concernleiding zich achter het plan geschaard.
Leuk, natuurlijk, die interesse van Stedin, New Energy en het concern. Maar wat zit er in het vat voor Joulz? Rien: "Allereerst is het mooi werk voor engineering. Daar is men al bezig met het schetsen van een basisontwerp voor het transport en de distributie, waarin de technische mogelijkheden worden verkend. Ook het tracé voor de pijpleiding wordt al onderzocht. Vervolgens moet het geheel natuurlijk gebouwd worden en daarna onderhouden. We 'maken' op deze manier ons eigen werk, waar we ook op de lange termijn profijt van hebben."
De kansen voor het plan hangen natuurlijk samen met de kosten. Nog in 2009 wordt berekend hoeveel het bij benadering kost om het plan te realiseren en wat dan de kostprijs per kilo CO2 gaat zijn. Als dat positief uitpakt wordt in 2010 gewerkt aan verdere engineering, het rond maken van de financiering en de nodig vergunningen. In 2011 kan dan gestart worden met de realisatie van het plan.
Intelligente stations voor de toekomst
De 200 hoogspannings- en 20.000 middenspanningsstations van Stedin staan centraal in de strategie van de netbeheerder om betrouwbaar en toekomstvast elektriciteit te blijven transporteren. Verregaande automatisering is het belangrijkste antwoord van Stedin op de uitdagingen van de toekomst.
Marko Kruithof, manager Netcoördinatie bij Stedin: "ICT wordt na energietransport onze belangrijkste tak van sport." Hij voorziet daarbij een sleutelrol voor Joulz, specialist in energie-infrastructuren.
Jaarlijks neemt Joulz Projects zo'n zes tot zeven van de 200 Stedin-hoogspanningsstations onderhanden om ze geheel geautomatiseerd weer op te leveren. Dat tempo moet, als het aan Stedin ligt, omhoog naar tien per jaar. En dan zijn er nog de 20.000 Stedin-middenspanningsstations, die op termijn ook meegenomen worden in de automatiseringsslag. Deze ICT-inspanningen zijn bedoeld om de netten betrouwbaarder te maken en om ze aan te passen aan de stormachtige veranderingen in elektriciteitsproductie en –gebruik
Remmende voorsprong
Belangrijk voor de betrouwbaarheid is natuurlijk het beheersen van het aantal storingen en het terugbrengen van storingsminuten. Vergeleken met andere netbeheerders in Nederland en Europa, doet Stedin het op dit gebied netjes. "We lopen keurig in de pas met de anderen", zegt Marko. Maar de prestaties in van oudsher geïndustrialiseerde landen, steken bleekjes af bij die in sommige opkomende geïndustrialiseerde landen. Dat heeft alles te maken met de toepassing van nieuwe technologie, legt Marko uit. "De gemiddelde Nederlandse afnemer van elektriciteit moet rekenen op zo'n 24 tot 25 storingsminuten per jaar. We moeten de grootste moeite doen om dat niet te laten oplopen. Leg dat bijvoorbeeld eens naast de snel groeiende Chinese regio Macau. Daar is het aantal storingsminuten per klant niet meer dan 3 minuten per jaar. Een enorm verschil, dat je kunt verklaren met de 'wet van de remmende voorsprong'. In tegenstelling tot zo'n regio als Macau hebben wij al heel lang een behoorlijk betrouwbaar netwerk. We hebben voor miljarden in de grond liggen, maar het ontwerp en de technologie in onze netten zijn in feite verouderd. Daar hebben ze in regio's als Macau geen last van: Ze beginnen vrijwel vanuit het niets en werken met de nieuwste inzichten in ontwerp en technologie. Wat je dáár ziet, is dat het met de huidige stand van de techniek stukken beter kan dan wij het nu doen. Automatisering is daarbij een belangrijk instrument."
Smart grids
Daar komt bij dat de elektriciteitswereld in rap tempo verandert. Denk bijvoorbeeld aan de stormachtige opkomst van decentrale opwekking met wind, zon en WKK's. Of aan het voorspelde succes van de elektrische auto, die binnen afzienbare tijd van de lopende band rolt. De manier waarop de elektriciteitsnetten worden benut en bestuurd, moet hiervoor drastisch op de schop. Deze ontwikkelingen oefenen met name druk uit op het middenspanningsgedeelte van het net. Dat is niet ontworpen voor grootschalige teruglevering van elektriciteit én niet voor dergelijke hoge afnamepieken. Met die hoge druk neemt de kans toe op storingen en 'opstoppingen' op het net. Marko: "De toekomst vraagt om intelligente distributiesystemen, zogenaamde Smart Grids, die ons helpen deze problemen op te lossen. Stedin heeft deze zomer besloten tot een miljoeneninvestering in een centraal Distributie Management Systeem. Daarmee is de weg vrijgemaakt voor verregaande automatisering van de middenspanningsstations. Met de kennis van nu denken we daar zo'n 15 tot 20 jaar over te kunnen doen. Maar het zou ons niet moeten verbazen als het plotseling toch sneller moet. Bijvoorbeeld als het met die elektrische auto ineens net zo snel gaat als met de introductie van de mobiele telefoon."
Joulz heeft natuurlijk al een prominente rol in de stationsautomatisering (SA) van de Stedin-hoogspanningsstations. "Bij de SA-mensen van Joulz zit enorm veel kennis", vindt Marko. "Kennis die bovendien schaars is." Tekenend voor die schaarste is het feit dat de leveranciers van SA-componenten niet de menskracht op de been kunnen brengen om zelf te installeren, testen en inregelen. Marko: "De samenwerking met Joulz Projects verloopt goed. Onze discussies spitsen zich toe op de vraag hoe het efficiënter kan. Dat bijvoorbeeld zelfs componenten die al door de leverancier volledig zijn getest, toch nog eens voor 100% opnieuw getest worden, vind ik persoonlijk niet meer van deze tijd. We zijn al versneld van twee stations per jaar naar zes tot zeven. Maar we willen met elkaar naar tien."
Open voor innovatie
Omdat we niet zomaar een blik SA-experts kunnen opentrekken, zullen we vooral slimmer moeten werken, denkt Marko. Voor nieuwe problemen zijn tenslotte nieuwe oplossingen nodig. Met het automatiseren van hoogspanningsstations zitten we nog op redelijk bekend terrein. Maar bijvoorbeeld bij het betrekken van de middenspanning in Smart Grids komt het aan op vernieuwend denken. Marko: "De denkpatronen en tradities uit het verleden zitten ons soms in de weg. Toch merk ik dat de draai naar vernieuwing wel degelijk gemaakt wordt. Maar we zullen met elkaar méér uit moeten proberen. Daarmee bedoel ik niet dat het vanaf nu 'alle remmen los' is. Wél dat we allemaal open moeten staan voor nieuwe ideeën. Voor Joulz is het zaak in te spelen op deze ontwikkelingen. Niet alleen door innovatief te zijn op het gebied van engineering en ICT. Ook de rol van de monteur ziet er over 15, 20 jaar heel anders uit. Die zal meer met z'n laptop in de weer zijn dan met z'n steeksleutel nr. 17. Als die transitie slaagt, dan kan Joulz een sleutelpositie innemen en liggen er geweldige kansen voor het bedrijf."
Luidruchtig hoogspanningstracé aangepakt
Het project
Het pas opgeleverde verzwaarde hoogspanningstracé Breukelen-Utrecht moet bij Maarssenbroek toch weer op de schop. De geleiders blijken – geheel onvoorzien - bij bepaalde windsnelheden een hinderlijke fluittoon te produceren. In november zullen de geleiders vervangen zijn, waarmee het probleem naar alle verwachting is opgelost. Een project met veel politieke en maatschappelijke gevoeligheden.
Hoogspanningsmasten in dichtgebouwd gebied. Het is een combinatie die al jaren veel emoties en discussie oproept. Bewoners willen zulke tracés het liefst uit de buurt of – als dat écht niet kan – onder de grond. Maar dat stuit vaak op financiële én technische bezwaren. Een aantal actieve inwoners van Maarssenbroek is jarenlang te hoop gelopen tegen de lijnverzwaring en vóór ondergrondse verkabeling. Tevergeefs. Eind 2009 is het verzwaarde tracé opgeleverd en in gebruik genomen. Maar daarmee keerde de rust niet terug. Toen bleek namelijk dat rond de omstreden hoogspanningslijn bij vlagen zeer hinderlijke geluiden te horen zijn. De omwonenden waren - zacht gezegd - 'not amused'.
Kwaad bloed
De eerste klachten over de geluidsoverlast kwamen binnen bij de gemeente, die vervolgens doorverwees naar Stedin. Lykle Ganzevoort is beleidsadviseur Duurzaamheid en Milieu bij de afdeling Ontwikkeling van de gemeente Stichtse Vecht, waar Maarssenbroek deel van uit maakt. "De gemeente vindt dat Stedin als veroorzaker het probleem ook zelf moet oplossen", zegt hij. "De rol van de gemeente in dit traject is louter en alleen faciliterend, waarbij wij opkomen voor de belangen van onze inwoners. Onze inwoners willen een einde aan de geluidsoverlast, dus dat is ook onze insteek."
"In eerste instantie werden de klachten over de geluidsoverlast naar ons idee door Stedin niet echt serieus genomen", gaat hij verder. "Dit heeft veel kwaad bloed gezet bij de bevolking van Maarssenbroek. Op zich was het ook moeilijk om de bron van de geluidsoverlast te traceren. Vervolgens gaf Stedin aan bekend te zijn met de overlast en onderzoek te doen naar de oorzaak. Dat is een boodschap waarvoor inwoners best enige tijd begrip op kunnen brengen. Maar als na een jaar er nog geen oorzaak is gevonden dan raakt het geduld wel op. Begin 2011 bleek pas uit onderzoeken wat de oorzaak was van de fluittonen."
Verkeerde been
Stedin-projectleider Paul van den Aardweg erkent dat een snellere reactie op de klachten naar inwoners en gemeente op z'n plaats was geweest. "Dan doel ik vooral op de communicatie", zegt hij. "Niet om iets goed te praten hoor, maar wat zich bij deze geleiders voordoet is volkomen uniek. Wij hebben het bij Stedin niet eerder aan de hand gehad, maar bijvoorbeeld ook voor TenneT is het een onbekend fenomeen. Het was heel lastig om het geluid, dat op een hoge frequentie zit en dat je alleen hoort bij wind uit bepaalde hoeken en bij bepaalde snelheden, goed te meten. En toen we het eenmaal hadden gemeten en op zoek waren naar de oorzaak, hebben we nog geruime tijd op het verkeerde been gestaan. We dachten aan verschillende oorzaken, maar niet aan de geleiders, gewoonweg omdat dit nooit eerder is voorgekomen." Een belangrijk leerpunt, vindt Paul, is dat Stedin de omwonenden beter op de hoogte had moeten brengen van die inspanningen. "We hadden die eerste klachten direct serieus moeten nemen en vervolgens hadden we eerder en duidelijker moeten laten zien dát we er mee bezig waren en hoe."
Caspar het Spookje
Riëtte Habes is inwoonster van Maarssenbroek. Ze was jarenlang nauw betrokken bij de pogingen van bewoners om het tracé ondergronds te krijgen. Ze vertelt: "Het is echt een heel akelig geluid. Mijn zoontje gaf wel een rake omschrijving: hij vindt dat het klinkt als het gehuil dat je wel hoort bij Caspar het Spookje." Net als gemeentewoordvoerder Lykle Ganzevoort, vindt ook Riëtte dat de communicatie door Stedin bij de eerste klachten verre van optimaal was. Maar ze steekt ook de hand in eigen boezem. "De toon was natuurlijk deels al gezet doordat de we hoogspanningslijn niet ondergronds hebben gekregen. De gemeente, Stedin en wij als bewoners hebben jarenlang regelrecht tegenover elkaar gestaan. Veel bewoners hebben een diepe argwaan tegen de gemeente en Stedin als het gaat om dit tracé. Na verloop van tijd, vind ik, heeft Stedin de communicatie rond de geluidsoverlast wel degelijk stukken beter opgepakt. En ook wij als bewoners hebben een draai gemaakt: oké, die hoogspanningslijn die loopt hier nog wel even, dus laten we nu constructief meedenken, zodat er in elk geval een goede oplossing komt voor het geluidsprobleem." Lachend voegt ze daar aan toe: "Al blijven we er natuurlijk bij dat die lijn ondergronds moet."
Waardering voor aanpak
Ook de gemeente is de omslag opgevallen in de manier waarop er met elkaar gecommuniceerd werd. Lykle: "Er waren in de aanloop de nodige strubbelingen. Dat lag niet alleen aan Stedin, hoor. Het had deels ook te maken met een drukke periode bij de gemeente. We hebben gemeenteraadsverkiezingen gehad én de fusie van Maarssen, Breukelen en Loenen tot de nieuwe gemeente Stichtse Vecht per 1 januari 2011. Dat maakte de communicatie er niet gemakkelijker op. Het omslagpunt kwam toen we overeengekomen zijn dat Stedin een informatieavond voor de bevolking zou organiseren. Vanaf dat moment is er vertrouwen opgebouwd tussen de gemeente en Stedin en is er ook waardering gekomen voor de aanpak van Stedin."
Scepsis wegnemen
Ook de projectleider van Stedin vond de informatieavond in april dit jaar uiterst zinvol. Paul: "Die bewonersavond was wel bijzonder. Eigenlijk waren er twee emoties. De ene is dat men het hele tracé nog steeds het liefst ondergronds wil hebben. En de andere is dat men zich eenvoudigweg niet gehoord heeft gevoeld. Er was veel scepsis: waarom zou er nu wél geluisterd worden. Maar we hebben tijdens die avond een aantal duidelijke toezeggingen kunnen doen, waaronder de belangrijkste en meest concrete: in november zijn de geleiders vervangen en is de geluidsproblematiek naar alle waarschijnlijkheid opgelost. We zijn ook de discussie niet uit de weg gegaan en hebben nog eens uitgelegd dat het ondergronds leggen van het tracé er alleen al vanwege de enorme maatschappelijke kosten voorlopig niet in zit. Ik denk dat we met die duidelijkheid veel scepsis hebben weggenomen."
Niet alleen maar zeuren
Riëtte Habes denkt dat de verhoudingen tussen de bewoners en Stedin onder andere zijn verbeterd door het persoonlijke contact dat uiteindelijk is ontstaan. "Kijk, onze zorg over die hoogspanningslijnen blijft. Zoiets vertroebelt de discussie vaak en de finesses vallen weg. Dat merk je ook op zo'n informatieavond. Maar we zijn bijvoorbeeld op een dag met een aantal mensen van Stedin en van de wijkcommissie naar het park gegaan dat onder het tracé ligt. Daar hebben we eens intensief en rechtstreeks met elkaar kunnen praten. Wij van onze kant merkten daarbij dat we wel degelijk een open en eerlijk gesprek konden voeren met de mensen van Stedin. En omgekeerd denk ik dat duidelijk is geworden dat bewoners niet alleen maar zeuren, maar ook serieus kunnen- en willen meedenken en verstand van zaken hebben."
Het vervangen van de twaalf geleiders die het hoogspanningstracé vormen, gebeurt over een lengte van circa 6 kilometer. Dat gaat bijna 2 miljoen euro kosten. "We hebben een ruime marge in de lengte van het te vervangen tracé genomen, zodat we zeker weten dat men in Maarssenbroek geen last meer kan hebben van het geluid", aldus Paul van den Aardweg. "Het is nog een heel karwei. Daarbij werken we nauw samen met TenneT, dat de bedrijfsvoering van de hoogspanningslijn in handen heeft, en met de gemeente, die zich heel coöperatief opstelt bij het snel verstrekken van de benodigde vergunningen. Hoofdaannemer Joulz, die we voor de uitvoering in de arm hebben genomen, heeft inmiddels een gedetailleerd plan gemaakt. Daarmee wordt de vervanging ook daadwerkelijk op tijd, zorgvuldig en zoals beloofd uitgevoerd. Dat is in dit geval natuurlijk wel van het grootste belang."
<kader 1>
Tracé met turbulente geschiedenis
Het oorspronkelijke hoogspanningstracé tussen Utrecht en Amsterdam is in 1950 in gebruik genomen. Sindsdien is het talloze keren onder handen genomen en verlegd, onder andere voor de bouw van de Bijlmermeer en die van Maarssenbroek, de aansluiting op het 380 kV net bij Diemen en recent vanwege het verzwaren van de verbinding. Auke Wiersma van Stedin kwam in 1979 in dienst bij de Provinciale Utrechtse Elektriciteitsmaatschappij (PUEM) en is vele jaren verantwoordelijk geweest voor dit- en andere tracés. Hij vertelt: "Over eventuele gezondheidsrisico's voor omwonenden werd destijds eigenlijk niet nagedacht. In de jaren '70 en '80 werd op diverse plaatsen in Nederland nog zowat pal onder de lijnen gebouwd. Er werden eisen gesteld aan de hoogte van de gebouwen en bijvoorbeeld de hoogte van hijskranen, de bereikbaarheid ten behoeve van het onderhoud aan de masten en wat aanvullende zaken. Zo mochten bewoners geen vuurtje stoken onder de lijnen. Dat was het zo'n beetje. De eerste discussies over elektromagnetische velden en hun mogelijke invloed op de gezondheid kwamen midden jaren '90 los. En daarna werd het debat steeds heftiger. Er is in ons werkgebied ook weleens een lijn verplaatst, in een nieuwbouwwijk in Bunnik. Maar dat is en blijft een lastige zaak. We kunnen alleen verplaatsen als de betreffende gemeente voor de kosten opdraait en er voor zorgt dat we op een nieuw tracé dezelfde rechten en voorwaarden hebben. Hetzelfde gaat op voor het ondergronds leggen van tracés. Dat is ten eerste erg kostbaar en ten tweede minder probleemloos dan wel eens gedacht wordt. Zo moet je bijvoorbeeld een forse groenstrook aanhouden omdat je op hoogspanningskabels niet kunt bouwen. Ook zijn er speciale eisen aan de beplanting, om schade door boomwortels te voorkomen en kan je de kabels niet te dicht bij elkaar leggen omdat de warmte die zich ontwikkelt goed afgevoerd moet worden."
<kader 2>
TenneT wil verkabelen en uitkopen
Voor de zomer heeft elektriciteitstransporteur TenneT een ambitieus plan gepresenteerd voor een landelijke oplossing voor mensen die wonen onder of in de directe nabijheid van hoogspanningslijnen. Doel is het verhogen van de leefkwaliteit voor de omwonenden en het verbeteren van de maatschappelijke acceptatie van hoogspanningsverbindingen. Het plan omvat het ondergronds brengen van 500 kilometer aan 110/150kV verbindingen in de komende 10 jaar en het uitkopen van zo'n 1300 woningeigenaren die in de zogeheten zakelijke rechtsstrook liggen van de 220/380kV verbindingen – eveneens in de komende 10 jaar. De totale investering in ondergrondse infrastructuur komt uit op zo'n 1,25 miljard euro, voor uitkoop is nog eens zo'n 530 miljoen nodig. Uitvoering van de plannen betekent een tariefsverhoging van ongeveer 6 euro per huishouden per jaar.
De plannen zijn ontwikkeld vanwege de toenemende maatschappelijke weerstand tegen hoogspanningstracés in de buurt van woonwijken. Stefan Wesselink, persvoorlichter bij TenneT: "Wij hebben een maatschappelijke taak, dus we spannen ons zoveel mogelijk in om de acceptatie te verbeteren. Bij het ontwikkelen van het plan hebben we als uitgangspunt genomen dat een oplossing op één locatie ook moet gelden voor andere, soortgelijke locaties, zodat de uitkomst dezelfde is voor iedereen in Nederland die in de buurt van een hoogspanningstracé woont."
TenneT heeft de plannen voor besluitvorming voorgelegd aan het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Zowel door de minister als door een meerderheid in de Tweede Kamer is er in beginsel positief op gereageerd. In de tweede helft van dit jaar worden er knopen doorgehakt. Stefan: "Maar we merken nu al hoe sterk dit onderwerp leeft onder de bevolking. Bij ons call center staat de telefoon roodgloeiend. Er zijn letterlijk duizenden reacties gekomen. Soms gaat het om emotionele verhalen. Veel mensen zijn erg blij met het plan en andere juist verdrietig. Die willen bijvoorbeeld helemaal niet uitgekocht worden. Die kunnen we gelukkig geruststellen. Het gaat om een aanbod en niemand is verplicht het te accepteren. Veel andere vragen kunnen we helaas nu nog niet beantwoorden, omdat de plannen nog niet definitief zijn. Eind dit jaar hopen we zoveel mogelijk mensen duidelijkheid te kunnen geven."